woensdag 29 mei 2013

Teleurstelling

Gisteren sprak ik met iemand over enkele zaken die niet goed lopen. Ze was teleurgesteld, zei ze me. Het was voor ons een gelegenheid om over de redenen voor die teleurstelling door te praten: het gebrek aan eerlijkheid, aan transparantie. Maar we brachten het gesprek ook even op een ander niveau, door te filosoferen over het gevoel teleurstelling, waar dat vandaan komt.

Ik herinner me nog sterk mijn teleurstelling in de late jaren 80, toen we na 1400 km rijden eindelijk bij ons vakantiehuisje aan de Spaanse kust toekwamen. Het was helemaal niet wat ik er van verwacht het, niet gezellig of mooi gelegen, maar spartaans, oud, in een doodgewone straat. Ik was plots doodop en leeg. Kenmerkend voor de teleurstelling is dat de verwachting niet ingelost wordt.

Teleurstelling is een milde reactie op een niet ingeloste verwachting. Er is al een gedeeltelijke aanvaarding in te vinden. Misschien is dat de verklaring waarom de teleurstelling als emotie vandaag niet zo vaak voorkomt. We moeten tegenwoordig immers op onze strepen staan, onze eisen stellen. Service-levels moeten gerespecteerd worden, afspraken moeten nagekomen worden. Vandaag is het not done om teleurgesteld te zijn, je bereikt er niets mee.

Teleurstelling is voor wie niet in staat is voor zijn rechten op te komen. Woede, opstandigheid, dat zijn in deze tijden meer geschikte gevoelens. Middelmatigheid, ongemak en fouten mag je niet aanvaarden. Teleurstelling is dan een te zwakke reactie. Zo klinkt het vandaag.

Teleurstelling is niet meer in de mode, want aanvaarding is het ook niet meer. We gaan uitsluitend voor het beste, voor het perfecte. Wat daar niet aan beantwoordt willen we niet, gooien we weg. Of we verzetten ons en eisen het recht op om boos te zijn, om te klagen. 

Die houding is misschien eigentijds, maar ik denk niet dat ze tot veel goeds leidt. Onze samenleving mag dan al technisch zeer gevorderd zijn, niets is onfeilbaar en zeker de mens zelf niet. Klagen en boos zijn : er wordt wel eens gezegd dat het oplucht, maar ik heb nog geen enkel boek gevonden dat stelt dat klagen een goede manier is om een gelukkig en gezond mens te worden...

Teleurstelling is daarmee voor mij plots een aantrekkelijk alternatief. Woede en boosheid zijn moeilijker te beheersen en leiden vaak tot onaangepast en ongewenst gedrag. Woede kan natuurlijk een sterke motor zijn naar verandering, maar het vereist veel zelfkennis en inzicht. Teleurstelling lijkt me dan meer werkbaar. Er is geen totale weigering om de situatie te aanvaarden, maar toch ook geen passieve aanvaarding. Teleurstelling ligt zowat halfweg woede en passieve aanvaarding. Er is het gevoel dat er iets aan de situatie zou moeten veranderen, maar tegelijk staat de deur van de aanvaarding open. 

En uiteindelijk zal de aanvaarding vaak de enige uitweg zijn. Veel klagen leidt tot ontevredenheid en verzuring, en we zijn het er over eens dat onze maatschappij een hoge graad van verzuring heeft bereikt. 

Maar als u het mij niet eens zou zijn, weet dan dat ik zelfs niet teleurgesteld zal zijn...


Misschien vind je de volgende teksten ook interessant :

zondag 26 mei 2013

Eten voor vijfduizend mensen

Het verhaal van de vijf broden en twee vissen behoort waarschijnlijk tot de meest bekende uit het Nieuwe Testament. Het was een tijdje erg druk geweest voor Jezus en zijn apostelen. "Er kwamen en gingen zoveel mensen dat ze niet eens de gelegenheid hadden om te eten", schrijft Marcus. Ze hadden er nood aan om naar een eenzame plaats te gaan, om alleen te zijn en uit te rusten. Heel herkenbaar. Maar de ontsnappingspoging lukte niet. "De mensen kwamen erachter en volgden Hem", schrijft Lucas. Toen ze met hun boot aankwamen stonden opnieuw mensen hen op te wachten. "Jezus had met hen te doen", schrijven Marcus en Matteüs, en Lucas zegt dat Hij hen vriendelijk ontving. Jezus sprak hun over het koninkrijk van God en maakte gezond wie genezing nodig had.

Elke dag loopt ten einde, die dag dus ook. De apostelen hadden er waarschijnlijk genoeg van en zegden tegen Jezus: "Stuur de mensen weg, dan kunnen ze eten en onderdak gaan zoeken in de buurt, want hier is het een eenzame plek."

Stuur de mensen weg. Het zijn harde woorden. "Jullie moeten hun te eten geven", antwoordt Jezus. "Maar we hebben niet meer dan vijf broden en twee vissen", antwoorden de leerlingen.

Uit hun woorden klinkt machteloosheid, een machteloosheid die ze niet kunnen aanvaarden. Stuur de mensen weg, is hun oplossing.

Machteloosheid is een zeer vervelend gevoel, we kunnen er maar moeilijk mee omgaan. Veel liever willen we een oplossing vinden, willen we iets kunnen doen, à la limite zelfs het probleem wegschuiven - de mensen wegsturen - dan ons te laten overspoelen door machteloosheid. Geen antwoord weten is iets dat we zoveel mogelijk willen vermijden. Het maakt ons immers klein en zwak, onbeduidend. In alle omstandigheden willen we meester blijven van de situatie.

Machteloosheid wordt vandaag ook niet meer aanvaard door de samenleving. De technische mogelijkheden zijn nu zodanig ter beschikking dat er altijd een oplossing 'moet' zijn, gevonden 'moet' kunnen worden. Alle technologie, alle kennis, alle wetenschappers zijn vandaag bijna ogenblikkelijk oproepbaar. Bij een ernstige ramp zoals in Wetteren onlangs blijkt dat dit ideaal in theorie bestaat, maar dat de praktijk veel weerbarstiger is.

Onze machteloosheid is misschien kleiner geworden dan tweeduizend jaar geleden. Maar ze bestaat nog steeds, en hoe meer we ze willen uitschakelen, des te moeilijker we het hebben om er mee om te gaan. Het gebeurt vaak dat we maar vijf broden en twee vissen hebben.

Als we dit gevoel omschrijven als machteloosheid, dan betekent het letterlijk dat we het gevoel hebben zonder macht te zitten. Anders bekeken willen we dus graag voortdurend over de nodige macht beschikken. We hebben een voortdurende behoefte om macht te hebben, te behouden.

En net hier vinden we een opvallend kenmerk van Jezus. Voor Hem was macht totaal onbelangrijk. Die machteloosheid is trouwens iets waar hij over sprak als hij vertelde over het rijk van God. Daar gaat het niet over macht, daar zijn geen machtelozen of machtigen. Daar zijn mensen bekommerd om mekaar, daar worden geen mensen weggestuurd uit machteloosheid. Ook niet als de avond valt (cfr. de Emmaüsgangers: Blijf bij ons, want de avond valt).

Onze God is een machteloze God. Vele mensen vinden dat een onuitstaanbare gedachte. Zij roepen uit bij groot lijden, bij grote onrechtvaardigheid: "Wat voor een God zijt Gij dat Gij dit toelaat, dat Gij toelaat dat mensen zoveel leed overkomt ?" Het Oude Testament heeft er meer dan duizend jaar over gedaan om te begrijpen dat God geen God van macht is.

Jezus was hiervan doordrongen. In de woestijn was Hij nochtans zwaar in de verleiding van de macht gekomen. Als hij honger had werd hem voorgesteld: maak brood van deze stenen. Onkwetsbaarheid werd hem voorgesteld : spring van deze hoge muur, de engelen zullen u opvangen. En boven op de berg werden hem koninkrijken met veel pracht beloofd. Neen, hij heeft voortdurend gekozen voor de machteloosheid.

Jezus had dus een zeer scherp oog voor alles wat niet echt was, voor alles wat gestuurd werd door macht in plaats van door liefde. Zijn kennis van de bijbel was zo groot als die van de farizeeën, maar hij hanteerde die totaal anders. De bijbel is geen instrument om macht uit te oefenen over mensen, om hen te verplichten voorschriften te volgen. De bijbel is een overtuigende inspiratie om God aanwezig te zien in alle mensen en daar ook zo naar te handelen.

De vijfduizend mensen toen hadden geen behoefte aan een machtsvertoning. Waarschijnlijk hadden ze op dat ogenblik beter dan de apostelen begrepen wat Jezus in zijn onderricht had verteld. We sturen geen mensen weg, laat ons samen zitten om te eten, er zal genoeg zijn voor iedereen.


Misschien vind je de volgende teksten ook interessant :

maandag 20 mei 2013

We sparen ons kapot ?

Op de cover van dS Weekblad van zaterdag 18 mei staat deze tekst: 'We sparen ons kapot - Rijke burgers, arm land'. Het artikel maakt een analyse van ons spaargedrag dat volgens een aantal mensen overdreven is.

De Belgen hebben 242 miljard euro op spaarboekjes staan. In Europa zijn alleen de Duitsers nog meer verwoede spaarders. Na de Tweede Wereldoorlog werden we allen aangemoedigd om te sparen. Die tijd is echter voorbij. Ik lees:
Nochtans krijgen we nu niet meer te horen dat het slim is om onze centen 'op het boekje' te zetten. Integendeel, het is zelfs dom. Want de economie heeft dorst, maar ze kan niet aan de Grote Appel. Wat gespaard wordt, wordt niet uitgegeven, kan de nijverheid niet smeren. We menen ons te wapenen tegen de crisis, maar we verdiepen er die crisis mee.
Bovendien is de rentevoet op de spaarboekjes erg laag. Al dat sparen is dus blijkbaar tweemaal niet goed: niet goed voor de economie, en niet goed voor onszelf.

Het is vreemd dat ons sparen vandaag betiteld wordt als dom. Ik vind het immers heel verstandig dat we in onzekere tijden wat geld opzij zetten. Sparen is immers niet hetzelfde als beleggen. Als we beleggen dan is het uitdrukkelijk de bedoeling dat ons geld aangroeit. Beleggen is doorgaans voorbehouden voor wie reeds spaargeld opzij heeft staan. Beleggen houdt immers een bepaald risico in zich, dat dan weer gecompenseerd wordt door een mogelijk grotere opbrengst. Wie gewoon spaart zoekt absolute zekerheid, en aanvaardt ook een lage opbrengst. De zekerheid is prioritair boven de opbrengst.

Vandaag waait er een financiële crisis door Europa, maar de jaren na de Tweede Wereldoorlog waren ongetwijfeld veel moeilijker. Toen was sparen in orde, vandaag niet meer.

De vreemde houding ten opzichte van sparen heeft te maken met de drang om de crisis zo lang mogelijk af te wenden, zelfs te ontkennen. Als we allemaal gewoon blijven kopen en consumeren, dan gaat het wel voorbij.

De negatieve houding ten opzichte van sparen is zeker ook het gevolg van onze veranderde visie ten opzichte van geld. Geld mag niet slapen, geld moet gebruikt worden. Dit heeft natuurlijk tot excessen geleid, omdat er nu geld verdiend ging worden met geld. Op teveel cruciale plaatsen in de maatschappij verdwenen de buffers, de spaarpotjes, en werden er diepe putten gemaakt.

Een buffer is nodig omdat de toekomst altijd onzekerheid inhoudt, omdat er altijd een risico is dat een bepaald inkomen kleiner wordt of wegvalt. Het vervolg van de verdwenen buffers kennen we. Maar de handboeken economie zijn nog steeds niet herschreven. Want geld verdienen met geld is een uiterst verslavende activiteit.

De banken vinden het niet leuk dat we ons geld bij hen in bewaring geven in de vorm van spaarboekjes. Ze zeggen dat ze er niet veel mee kunnen verdienen. Ze geven er ons dus maar een kleine vergoeding voor, nog minder dan de inflatie.

Het is vreemd en erg jammer dat de banken dit normale spaargeld zo neerbuigend behandelen. Het is immers de kern, de grondstof waarmee banken werken en die hun bestaansreden is. Vandaag is het in overvloed aanwezig. Maar ze kunnen er geen grote winsten mee maken, en daar nijpt de schoen.

Onze miljarden spaarcenten zijn zeer goed te gebruiken om de economie te ondersteunen in de vorm van leningen aan bedrijven en particulieren. Maar die activiteit is niet uitzonderlijk winstgevend, ze is vermoeiend en een beetje saai...


Misschien vind je de volgende teksten ook interessant :

zondag 12 mei 2013

Feestdagen

Deze maand mei is naar jaarlijkse gewoonte weer rijkelijk voorzien van feestdagen. In tijden van crisis willen sommige mensen daar een vraagteken bij plaatsen. Begrijpelijk, want feest en crisis passen niet zo goed bij elkaar. Als ondernemingen moeten sluiten en de werkloosheid toeneemt is het niet evident om een vrolijk gezicht op te zetten. Alles heeft zijn tijd, en nu is het misschien niet de tijd om veel te gaan feesten, is hun oordeel.

Het is niet enkel omdat deze tijden zo bedrukt zijn dat we wat zuiniger zouden moeten zijn met onze feesten. Er is ook het nadrukkelijke gevoel dat we in moeilijke tijden zijn verzeild net omdat we teveel gefeest zouden hebben. De crisis zou haar oorzaak vinden in het feit dat we boven onze stand geleefd hebben, dat we het leven graag vrolijk en licht opnemen, dat we vergaten dat er ook nog gewerkt moet worden. Het geld valt immers niet zomaar uit de hemel.

Redenen genoeg dus om op te roepen tot wat meer ernst, wat meer werken en minder feesten. De conclusie ligt voor de hand: hier en daar een feestdag afschaffen. Zeg nu zelf: als we met zijn allen enkele dagen méér zouden werken, dan zouden ons land en onze economie daar zeer wel bij varen.

Ik zie het kerstfeest nog niet zo snel afgevoerd worden, maar in de maand mei zijn er volgens sommigen wel enkele kandidaten te vinden. Het feest van de arbeid bijvoorbeeld, op 1 mei: vreemd dat we dan niet zouden werken. Weg ermee. Van het feest van Hemelvaart weet niemand nog wat het betekent - is dat hetzelfde als Rerum Novarum ? -, en bovendien valt het elk jaar op een donderdag. Weg ermee. De betekenis van Pinksteren ontgaat ons ook volkomen, gelukkig valt dat feest altijd op een zondag. Maar waarom moet er dan zo nodig nog een Pinkstermaandag aangeplakt worden ? Weg ermee.

Hiermee hebben we nog een bijkomend en bikkelhard argument om het mes te zetten in die feestenhandel: het zijn bijna allemaal christelijke feestdagen. De tijd is voorbij dat we een christelijk land waren. De christenen zijn een kleine minderheid geworden, dus waarom zouden we op hun feestdagen moeten stoppen met werken? Er zijn nog andere godsdiensten in het land, en de meerderheid is trouwens helemaal niet meer religieus.

Tja, na zo'n pleidooi tegen de feestdagen is het voor mij niet eenvoudig om een ander geluid te laten horen. Het maakt wel duidelijk dat de mogelijkheid groot is dat ze effectief (gedeeltelijk) naar de prullenmand worden verwezen. Tom Naegels schrijft in De Standaard van gisteren:
Er zijn er te veel. We hebben ze niet nodig. En we zouden de productiviteit van onze economie pijnloos kunnen opdrijven, door ze allemaal af te schaffen.
Tom Naegels is niet onze Eerste Minister. Maar CD&V heeft enige tijd geleden zelf nog voorgesteld om het feest van Pinkstermaandag af te schaffen. Eveneens als middel om de crisis te lijf te gaan.

Gelukkig zijn er maar weinig politici die hun handen vuil zullen maken aan het afschaffen van feestdagen. Zelfs de Romeinen wisten al dat openbare feesten een perfect middel waren om de bevolking gunstig gestemd te houden.

En daarmee raken we de kern van de zaak. Feesten hoort bij het leven. Zoals werken. Zelfs tijdens de oorlog wordt er gefeest. Feesten kan je niet verbannen naar het weekend om te vermijden dat het werk wordt onderbroken. Want feesten is net het werk onderbreken om te herinneren en te vieren dat er nog andere dingen belangrijk zijn in het leven. Doorheen alle tijden vonden mensen het belangrijk om samen te vieren en te feesten, niet enkel als het werk gedaan was - bijvoorbeeld als de oogst binnengehaald was - maar ook om belangrijke gebeurtenissen in herinnering te brengen.

Feesten heeft veel met geschiedenis te maken - wapenstilstand bijvoorbeeld, om een neutrale feestdag te citeren. Geschiedenis die we in herinnering willen houden omdat er vandaag nog belangrijke inhoud in te vinden is. Net zoals de christelijke feestdagen van Kerstmis, Pasen, Hemelvaart. In dezelfde krant van vandaag vraagt Oscar van den Boogaard zich af wat vandaag de betekenis kan zijn van het feest van Hemelvaart:
Ik kon niet bedenken wat de zin van Hemelvaartsdag was. 's Avonds raadpleegde ik thuis een boek van de benedictijnse monnik Anselm Grün. Het was volgens hem het feest van onze bestemming. Christus is bij de Vader aangekomen. Het zou een bevrijdende boodschap moeten zijn. Want voor wie kan leven vanuit de hemel als zijn vaderland, worden veel van de dingen gerelativeerd. Als je in je hart al op je bestemming bent, dan is de weg niet meer zo inspannend.
Feesten afschaffen is geen goed idee. Feesten geven zin en betekenis aan het leven. Ze vervangen door betekenisloze bank holidays is mogelijk nog erger. Alsof de banken een feest waardig zouden. Het zou alleen maar scherp stellen dat we ons leven helemaal ten dienste willen stellen van de economie en het geld. In De Kloostergang schrijft Kathleen Norris over de vele feesten die in de abdijen gevierd worden:
...stilstaan bij het mysterie van het feit dat wij tussen twee werelden leven, een die bestaat uit ruimte en tijd en een die bestaat uit belofte en verwachten.
Als je van Leuven naar Mechelen rijdt met de auto, dan zie je al van ver de toren staan van de Sint-Romboutskathedraal. Ik bedacht gisteren dat deze toren, net zoals een feestdag, economisch waarschijnlijk geen enkele waarde, geen echt nut heeft, en dat het economisch gesproken waarschijnlijk beter is om hem gewoon af te breken. Gelukkig zijn we het er toch allemaal over eens dat deze toren een feest voor onze ogen is, een feest voor de stad. Een feest dat zeker mag blijven. Hier en daar is doorgedrongen dat het pure economisch denken zijn grenzen heeft.


Misschien vind je de volgende teksten ook interessant :